Terug naar home actualiteit
Terug naar de actualiteit

ONZE BROEDERS IN BELGIË

In 1847, onze congregatie bestond toen pas zeven jaar, werkten de broeders al op zeven plaatsen in Nederland. Men had dus in korte tijd nogal veel hooi op de vork genomen. Vanwege het nog gering aantal leden (26 broeders en 27 novicen), had men heel wat moeten passen en meten om al werk in de scholen, de weeshuizen, de zorg voor dove kinderen, te kunnen beginnen en draaiende te houden.
Als we in hetzelfde jaar 1847 toch enkele broeders naar BelgiŽ zien vertrekken om daar aan de slag te gaan, kan men zich afvragen wat de toenmalige bestuurders hiertoe deed besluiten. Vermoedelijk was de belangrijkste reden de moeilijke situatie, waarin de katholieke zaak in BelgiŽ verkeerde: er was grote nood en daar sprong men op in.

Politiek en godsdienst tweede he1ft 19e eeuw

Er bestonden in BelgiŽ scherpe tegenstellingen tussen liberalen en katholieken. Bij de verkiezingen van 1846 had de liberale partij in BelgiŽ de meerderheid behaald en zij evolueerde al gauw tot een partij van anti-godsdienstige vrijdenkers. Er werden fel anti-clericale wetten uitgevaardigd en de scholen werden godsdienstloos of anti-godsdienstig. Elke Belgische gemeente moest tenminste ťťn school hebben, waaraan geen godsdienstonderwijs werd gegeven en waarvan de onderwijzers een rijksnormaalschool moesten hebben gevolgd. De zaak liep zo hoog op, dat het Belgische episcopaat het bezoeken van openbare scholen door katholieke kinderen verbood.
  

Walthère_Frère-Orban_(1812-1896)

Niet alleen op politiek vlak, maar ook in het dagelijks leven gaf dit alles voortdurend aanleiding tot wrijvingen en ruzies. Zo schrijft de overste van Hasselt in 1879 aan de algemene overste in Maastricht: 'Des Zondags onder de Vasten wordt een gebed afgelezen van den preekstoel, eindigend met: 'Van alle ongodsdienstige scholen en goddeloze schoolmeesters, verlos ons Heer!'

Beroep op religieuzen

Uiteraard hadden de 'vrije scholen' het in een dergelijke situatie erg moeilijk en de kinderen, vooral die van minder draagkrachtige ouders, dreigden hier het slachtoffer van te worden. Deze scholen kregen weinig of geen subsidie en ze moesten maar zien hoe ze de nodige financiŽn bij elkaar kregen.
Dat de geestelijkheid in deze situatie regelmatig een beroep deed op de religieuzen in de hoop, dat dezen hun met personeel en ook financieel de helpende hand zouden bieden, zal niet verbazen.



Pastoor-Deken Spaes, Hasselt
   Zo kwam de pastoor-deken van Hasselt in 1847 ook bij mgr. Rutten en br. Bernardus, de stichters van onze congregatie, om hulp vragen. Hoewel br. Bernardus kort tevoren nog geschreven had dat het tekort aan personeel de grootste ellende is en blijft, werd toch ja gezegd op het verzoek. Beiden konden moeilijk of niet weigeren, als de jeugd op de een of andere manier ergens de dupe van dreigde te worden. Het moet maar gewaagd worden, was dan dikwijls de reactie van br. Bernardus.

Een factor die bij hun toezegging onbewust ook wel zal hebben meegespeeld is, dat zij alle twee nogal geporteerd waren voor BelgiŽ. De familie Rutten was Belgisch gezind. Mgr. Rutten zelf had er een deel van zijn priesterstudie gedaan en hij had er veel kontakten. Br. Bernardus had zijn noviciaat in het Belgische St. Truiden doorgebracht en enkele van onze jongere broeders vonden er een studiegelegenheid aan de normaalschool van dezelfde stad.

Het gevolg van een en ander is, dat we in de loop der jaren verschillende stichtingen in BelgiŽ kregen: Hasselt (1847 en 1857), Lize (1860), Tessenderloo (1879) en Seraing (1879). We zullen deze stichtingen kort de revue laten passeren met enkele van hun ups en downs.

Hasselt

In 1847 werd in Hasselt een weeshuis overgenomen, waar al spoedig een bewaarschool en een lagere school aan werden verbonden.



Br. Bernardus werd hier overste en hij ging er voortvarend te werk. Via collectes in de kerk, intekenlijsten en giften hield hij de zaak financieel gaande. Er was veel geld nodig, want er moest veel gebouwd en verbouwd worden. Ook mgr. Rutten liet zich in deze niet onbetuigd.
In 1857 werd in Hasselt op verzoek van de geestelijkheid met een pensionaat begonnen, waar ook een dagschool aan werd verbonden. Br. Bernardus was in dat jaar weer algemene overste geworden en hij bleef dus nauw bij de gang van zaken in Hasselt betrokken. Wat eens zijn trots was geweest - 'Hasselt is voor mij de helft van de congregatie' - werd in de loop der jaren echter zijn smartenkind, zoals de Annalen zeggen. Er is tegenwerking geweest, er waren allerlei andere moeilijkheden, ook onder de broeders, en er waren voortdurend financiŽle tekorten.  

Br. Bernardus, links, met twee medebroeders


Ons huis te Hasslt
   In 1882 werd het pensionaat opgeheven, waardoor een einde kwam aan veel getob. Er werden toen de voorbereidende klassen van onze kweekschool in ondergebracht, tot deze in 1896 weer naar Maastricht terugkeerden. In 1883 werd ook ons weeshuis verlaten, vooral vanwege gebrek aan financiŽle middelen. Men had het geleidelijk laten uitsterven en de resterende wezen werden aan burgers in de stad toevertrouwd. In 1896 verlaten de broeders Hasselt voor goed. Namens de bevolking kregen zij bij die gelegenheid een mooie miskelk aangeboden.

Lize-Seraing

Lize was een arm stadsdeel van Seraing. De pastoor van de parochie stelde pogingen in het werk om een katholieke school te krijgen. Om zich van personeel te verzekeren dacht hij erover om een broedercongregatie te stichten. Hij is daar ook mee begonnen, maar ze kwam niet van de grond. Hij vraagt dan aan verschillende Belgische congregaties om hulp, maar tevergeefs. Ten einde raad komt hij in 1860 in Maastricht aankloppen, waar hij zijn zaak zo goed wist te bepleiten, dat hem hulp werd toegezegd. We zijn in Lize tot 1902 werkzaam geweest, maar ook hier liep niet alles van een leien dakje: de broeders waren de Franse taal niet of niet voldoende meester, we hadden niet voldoende voor hun schooltaak berekende krachten en de jeugd van Lize was niet van de gemakkelijkste: 'Zo onwetend als men nergens in de wereld vinden zou, daarbij onbeschaafd en onzedig', aldus de Annalen.
  


Enkele broeders in Lize
   Dat ook de huisvesting van de broeders en van de school veel te wensen overliet, nam men voor lief.

Meerdere malen werd overwogen om maar een punt achter het werk in Lize te zetten, maar telkens 'zegevierde het gevoel over het verstand'. In 1902 werd echter besloten ons definitief uit die stad terug te trekken.

Van 1879 tot 1884 zijn onze broeders nog in een tweede huis in Seraing werkzaam geweest aan een lagere school. De financiŽn waren echter onvoldoende en ook daar was de huisvesting bijzonder slecht. We hebben de school toen nog vanuit Lize bediend tot ze in 1887 door de Broeders van de Christelijke Scholen werd overgenomen.  



Tessenderloo

In Tessenderloo, waar pastoor Keesen de scepter zwaaide, was alleen maar een 'School-zonder-God'.
Op het bezoeken daarvan stonden van de kant van het episcopaat kerkelijke sancties en de pastoor ging in 1879 op zoek naar religieuzen, die een katholieke school onder hun beheer wilden nemen. Hij kwam naar Maastricht en was zo vasthoudend, dat men daar uiteindelijk besloot enkele broeders beschikbaar te stellen. De school kreeg een zeer goede naam en de pastoor was bijzonder gelukkig met de Maastrichtse hulp. Toen tegen 1889 door omstandigheden het aantal leerlingen echter sterk terugliep, werd besloten Tessenderloo te verlaten.   


Belgische medebroeders

In 1902 kwam er dus een einde aan het werk van de congregatie in BelgiŽ. Veel broeders hebben er met grote inzet en ondanks alle moeilijkheden met veel voldoening gewerkt. In de jaren van het verblijf in BelgiŽ hebben diverse jongeren, die kennis hadden gemaakt met de broeders, te kennen gegeven broeder te willen worden. Uiteindelijk zijn in de loop der jaren 35 Belgen ingetreden. Zij waren overigens niet alleen afkomstig uit Hasselt, Lize-Seraing en Tessenderloo en omliggende plaatsen, maar ook onder andere uit Tongeren, of verder weg, Antwerpen en Brussel.
De Belgische afkomst van deze broeders betekende overigens niet, dat zij ook in de Belgische vestigingen geplaatst werden. Zij deden allen hun noviciaat in Maastricht en werden van daaruit, net als hun Nederlandse medebroeders, naar communiteiten verplaatst waar het bestuur dat wenselijk achtte.

Bron: br. Patricio Winters, 1991